Aanzegvergoeding vordering toch afgewezen: voldoende duidelijkheid gegeven

U bent als werkgever verplicht om werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van 6 maanden of langer) schriftelijk te informeren of u deze na afloop wenst te verlengen. Doet u dit niet dan bent u in principe een aanzegvergoeding verschuldigd richting de werknemer ter hoogte van 1 bruto maandloon. Doet u dit wel, maar te laat, dan bent u een vergoeding naar rato verschuldigd. De ratio van deze aanzegverplichting is dat werknemers tijdig zekerheid krijgen over al dan niet voortzetting van de arbeidsovereenkomst.

Toch weten veel werkgevers niet dat deze aanzegvergoeding niet altijd hoeft te worden betaald, bijvoorbeeld als een beroep op deze vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Recent oordeelde een Kantonrechter te Almelo over een dergelijke casus.

 Feiten

Een werknemer is op 27 september 2016 in dienst getreden en heeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dat van rechtswege eindigt op 30 september 2017. Pas op 30 september 2017 heeft de werknemer een brief ontvangen van de werkgever waarin staat dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2017 zal worden beëindigd. De werknemer verzoek daarom de kantonrechter, op grond van artikel 7:668 BW, om de werkgever te veroordelen tot betaling van € 1.634,83 bruto wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting. De werkgever stelt daarop dat het beroep van de werkgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De werkgever voert daarvoor onder andere aan dat zij met de werknemer in gesprek is geweest om het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen en hadden hem reeds al vrijgesteld van arbeid. Daarbij was er al aangegeven dat de werkgever streeft naar een beëindiging per e-mail van 21 maart 2017. Nu zij er echter niet tot overeenstemming konden komen, is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd verstreken en het dienstverband om die reden beëindigd.

Oordeel

De kantonrechter geeft de werkgever hier gelijk en wijst de vorderingen van de werknemer af. De werkgever heeft reeds (schriftelijk) en tijdig duidelijkheid verschaft aan de werknemer dat zij streefde naar een beëindiging van het dienstverband. Bij de werknemer kon er daardoor redelijkerwijs geen onzekerheid hebben bestaan over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Dat de werkgever later geen overeenstemming kon bereiken met de werknemer over de voorwaarden van een beëindiging met wederzijds goedvinden, doet hier niets aan af.

 Conclusie

Verzoekt de werknemer u om betaling van de aanzegvergoeding, maar meent u de werknemer tijdig voldoende duidelijkheid te hebben verschaft? Neem dan contact met ons op. Wij kunnen nagaan of dit het geval, of een vordering van de werknemer enig kans van slagen heeft en u derhalve wel of niet het moet betalen.