De doorslaggevende factor bij succesvolle handhaving non-concurrentiebedingen in franchise-contracten

 

Een recente uitspraak van de Rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2026:3386) laat zien dat een non-concurrentiebeding in franchise niet automatisch standhoudt na beëindiging van de samenwerking. De rechter kijkt niet naar het bestaan van het beding zelf, maar naar de vraag of het beding daadwerkelijk noodzakelijk is ter bescherming van concrete, overdraagbare knowhow.

Juist dat blijkt in de praktijk vaak het knelpunt. Als niet duidelijk is welke kennis precies is overgedragen en waarom die bescherming verdient middels een dergelijk beding, kan een ogenschijnlijk stevig concurrentiebeding in de praktijk weinig waarde hebben.

De zaak in het kort

In deze zaak werkte een Italiaanse franchisegever samen met een Nederlandse franchisenemer die twee winkels exploiteerde binnen een franchiseformule. Nadat de franchisegever de overeenkomst in 2025 met onmiddellijke ingang had beëindigd en de betrokken vennootschappen failliet gingen, zetten de achterliggende ondernemers hun activiteiten voort vanuit dezelfde locatie, maar onder een ander concurrerend kledingconcept.

De franchisegever probeerde die activiteiten via een voorlopige voorziening (in kort geding) bij de rechter te stoppen. Daarbij werd een beroep gedaan op een postcontractueel non-concurrentiebeding en gesteld dat sprake was van onrechtmatige concurrentie door de betrokken bestuurders.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wees de gevraagde voorlopige voorziening af. Daarbij speelde in de eerste plaats dat het spoedeisend belang van zo voorlopige ingreep, onvoldoende concreet was onderbouwd. De gestelde schade en aantasting van goodwill waren te algemeen gebleven om een onmiddellijke ingreep te rechtvaardigen. Het enkel stellen van oplopende schade is onvoldoende.

Daarnaast was er onzekerheid over de juridische basis van die vordering, te weten of er wel sprake van een geldig en afdwingbaar non-concurrentiebeding. Dat zou echt een nadere beoordeling in de bodemzaak vergen. Vanwege die onzekerheid is het te gevaarlijk en onvoldoende grond om vooruit te lopen op de uitkomst van die bodemprocedure.

De rol van knowhow

Bij de beoordeling van een non-concurrentiebeding in franchise staat artikel 7:920 BW centraal. Daaruit volgt dat zo’n beding alleen geldig is als het noodzakelijk is ter bescherming van overgedragen knowhow. Daarmee is de afdwingbaarheid direct afhankelijk van wat er feitelijk aan kennis is overgedragen.

In deze zaak lijkt juist op dat punt de zwakte te zitten. De franchisegever heeft onvoldoende concreet gemaakt welke knowhow is overgedragen en waarom die bescherming rechtvaardigt van zo’n beding. Dat roept twijfel op over de aard, omvang en het onderscheidend vermogen van die kennis.

De uitspraak laat zien dat die onzekerheid al voldoende kan zijn om een voorlopige voorziening te blokkeren. Zonder scherp gedefinieerde en aantoonbare knowhow verliest een non-concurrentiebeding snel zijn praktische waarde.

Wat zegt de rechtspraak?

Rechters stellen steeds hogere eisen aan de onderbouwing van knowhow. Zo volgt uit de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:1235) dat algemene ondersteuning materialen of standaarddocumenten, wanneer niet concreet wordt gemaakt welke specifieke en niet openbaar toegankelijke kennis daadwerkelijk is overgedragen, zeker wanneer de franchisenemer zelf al over relevante branche-ervaring beschikt.

Ook de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:8931) volgde deze lijn. Daar werden zowel het non-concurrentiebeding als het relatiebeding buiten werking gesteld in de voorlopige fase, omdat onvoldoende was onderbouwd welke knowhow bescherming rechtvaardigt. Daarbij werd bevestigd dat ook relatiebedingen langs dezelfde strikte toets worden beoordeeld.

Wat betekent dit voor uw praktijk?

Deze uitspraak van de Rechtbank Limburg maakt duidelijk dat een non-concurrentiebeding geen vanzelfsprekend vangnet is. De werking ervan hangt volledig af van de onderliggende vraag of sprake is van concreet overdraagbare en beschermingswaardige knowhow.

Voor franchisegevers betekent dit dat het niet volstaat om een standaardbeding op te nemen of te verwijzen naar een formule. U moet kunnen aantonen dat specifieke specialistische (niet algemeen bekende) kennis is overgedragen, waarom dat onderscheidend is en waarom bescherming noodzakelijk is. Ontbreekt die onderbouwing, dan is het reëel dat een rechter het beding niet of terughoudend toepast, zeker in spoedprocedures. De wijze waarop de formule is opgebouwd en de knowhow is gedocumenteerd, bepaalt uiteindelijk of het beding in de praktijk standhoudt.

Voor franchisenemers betekent dit dat een non-concurrentiebeding niet automatisch betekent dat na beëindiging geen ruimte bestaat om concurrerende activiteiten te ontplooien. De rechter zal steeds toetsen of de franchisegever daadwerkelijk beschermenswaardige knowhow kan aanwijzen. Als die onderbouwing ontbreekt, staat ook de afdwingbaarheid van het beding onder druk.

Conclusie

De bodemprocedure zal uiteindelijk moeten uitwijzen of het non-concurrentiebeding in deze franchiseovereenkomst standhoudt en hoe de rechter de gestelde knowhow waardeert.

Voor nu bevestigt de uitspraak vooral dat handhaving niet vanzelf spreekt. De kracht van een non-concurrentiebeding zit niet alleen in de formulering, maar in de onderliggende inhoud van de franchiseformule. Wie dat vooraf niet scherp en gedegen heeft uitgewerkt, komt bij handhaving vaak te laat tot de conclusie dat het beding minder hard is dan gedacht. Iets is niet een franchiseformule enkel en alleen omdat men het die naam geeft. De prestaties en leveringen van de franchisegever moeten echt van toegevoegde waarde zijn voor de franchisenemer.

Heeft u hulp nodig bij het opstellen of beoordelen van franchiseovereenkomsten of non-concurrentiebedingen? De ondernemingsjuristen van The Legal Company helpen u daar graag bij. Neem gerust contact met ons op viainfo@thelegalcompany.nlof bel naar020-3450152.