Stel: uw onderneming heeft een lening bij de bank. Als zekerheid voor die lening heeft u uw vorderingen op klanten aan de bank verpand. Komt u uw betalingsverplichtingen niet na, dan kan de bank het pandrecht inroepen en de openstaande vorderingen rechtstreeks bij uw klanten innen. Maar mag de bank daarbij ook besluiten om een deel van de schuld van uw klant kwijt te schelden, zonder dit met u te overleggen of, in geval van faillissement, met de curator?
De Hoge Raad heeft daar op 2 oktober 2026 een helder antwoord op gegeven. Deze uitspraak is voor iedere MKB-ondernemer die met pandrecht te maken heeft, goed om op de hoogte van te zijn (ECLI:NL:HR:2026:1595).
Wat speelde er?
De zaak draait om ING, die een vastgoedonderneming financierde met een lening van ongeveer 17 miljoen euro. Als zekerheid voor terugbetaling daarvan had ING een stil pandrecht bedongen op de huurvorderingen van de vastgoedonderneming op haar huurder, een uitzendbureau. Nadat ING het pandrecht in juni 2015 openbaar had ingeroepen omdat de pandgever niet aan haar betalingsverplichtingen voldeed, werd zij zelf inningsbevoegd.
De huurder weigerde echter de huur te betalen over een periode van acht maanden, in totaal ruim € 28.000,-,. Hij meende dat het gehuurde pand gebreken vertoonde. Op 14 maart 2018 ging de vastgoedonderneming failliet. Ruim zeven maanden later sloot ING buiten de curator om een vaststellingsovereenkomst met de huurder: tegen betaling van € 10.000,- werd de resterende huurschuld kwijtgescholden. De ontbindende voorwaarde in de overeenkomst voor het geval de curator het er niet mee eens zou zijn, bleef ongebruikt.
De curator stapte in plaats daarvan naar de rechter en stelde dat ING onrechtmatig had gehandeld door zonder zijn instemming te schikken met de huurder. Daarnaast eiste zij € 2.000,- schadevergoeding wegens gemiste boedelbijdragen als gevolg.
Hoe ver reikt de bevoegdheid van de pandhouder?
De rechtbank wees de vorderingen van de curator af. Het hof kwam tot een ander oordeel en wees de vorderingen alsnog toe. ING stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep op twee samenhangende gronden, die van groot belang zijn voor de rechtspraktijk.
Allereerst maakt de wet een bewust onderscheid tussen de bevoegdheid om te innen en andere schuldeisersbevoegdheden. Zodra het pandrecht is meegedeeld aan de schuldenaars van de pandgever, mag de pandhouder nakoming eisen, betalingen ontvangen en een nog niet opeisbare vordering opzeggen om die opeisbaar te maken. Kwijtschelding, een afbetalingsregeling, het omzetten van de vordering in schadevergoeding en ontbinding van de onderliggende overeenkomst blijven echter bevoegdheden van de pandgever. De ratio: die bevoegdheden raken de belangen van de pandgever diepgaand, terwijl de pandhouder alleen geïnteresseerd is in de vordering voor zover die zijn eigen lening waarborgt. ING mocht dus incasseren om haar eigen vordering veilig te stellen, maar niet namens de ondernemer beslissen om een deel van diens vermogen zomaar weg te geven.
Ten tweede kunnen ondernemingen dit probleem niet eenvoudig oplossen door dit weg te schrijven in de kleine lettertjes. Het Nederlandse goederenrecht kent een gesloten systeem: partijen kunnen aan een pandrecht geen andere inhoud geven dan de wet toestaat, en artikel 3:246 BW biedt die ruimte niet. Wordt contractueel de bevoegdheid opgenomen om een vordering kwijt te schelden, dan is deze afspraak weliswaar geldig tussen contractspartijen, maar het wordt nooit onderdeel van het pandrecht zelf. ING had dit wel geprobeerd met haar algemene pandvoorwaarden, maar zonder succes. Omdat ING de vorderingen zonder de instemming van de vastgoedonderneming had prijsgegeven, oordeelde de Hoge Raad dat zij onrechtmatig had gehandeld en de boedelbijdrage van € 2.000,- moest vergoeden.
Wat leert deze uitspraak u als ondernemer?
De kernboodschap blijft simpel: een pandrecht geeft de bank het recht om de vordering te innen, maar niet om namens u over uw vermogen te beslissen. Verpandt u een vordering als zekerheid, dan blijft u, ook na mededeling van het pandrecht, zelf bevoegd tot kwijtschelding, een betalingsregeling of ontbinding en bij faillissement gaat die zeggenschap over naar de curator. Algemene voorwaarden en pandakten hebben hierin hun grenzen: een bepaling die de bank toestaat zelfstandig te schikken, werkt alleen tussen de contractspartijen en valt weg zodra er een faillissement komt.
Wat betekent deze uitspraak voor u in de praktijk?
Verpandt uw onderneming vorderingen aan de bank, controleer dan de kredietdocumentatie op bepalingen die de bank toestaan zelfstandig te schikken of vorderingen kwijt te schelden: die bieden tegenover een curator geen garantie en kunt u als pandgever beter voorkomen. Treedt u op als schuldenaar van een verpande vordering en biedt de pandhouder kwijtschelding aan, controleer dan of de pandgever of curator daarbij betrokken moet worden en leg die instemming schriftelijk vast. En bent u zelf pandgever en gaat uw onderneming failliet, bedenk dan dat bevoegdheden als kwijtschelding en afbetalingsregelingen niet bij de pandhouder liggen, maar bij de curator terechtkomen.
Hulp nodig bij uw zekerheden of financieringsdocumentatie?
Wilt u weten of uw financieringsovereenkomst en algemene voorwaarden u voldoende bescherming bieden? Wij, de ondernemingsjuristen van The Legal Company, beoordelen graag deze documentatie op eventuele risico’s en nemen adequate waarborgen op. Ook biedt The Legal Company juridische begeleiding bij geschillen tussen pandgever en pandhouder. Neem gerust contact op via info@thelegalcompany.nl of 020-3450152.
Blog van onze ondernemingsjurist mr. Hella Vercammen.